Les 3 Brughoogten | Online cursus Vaarbewijs 1

Reductievlakken

Een reductievlak is een denkbeeldig referentievlak ten opzichte waarvan de dieptes worden weergegeven. Voorbeelden van reductievlakken zijn:

  • NAP: Normaal Amsterdams Peil. Dat is een vlak dat in heel Nederland op gelijke hoogte ligt. Het gaat wel met de bolling van de aarde mee.
  • Kanaalpeil (KP): dat is een referentievlak dat per kanaal wordt vastgesteld, t.o.v. N.A.P. Voor het ene kanaal kan dat zijn: NAP+2dm en voor het andere kanaal kan het zijn: NAP – 5dm
  • IJsselmeer zomerpeil en IJsselmeer Winterpeil (ligt 20 cm lager dan in zomer)

Als de kaartdiepte 3 meter is, dan is dat dus ten opzichte van het reductievlak. Het zou goed kunnen zijn dat de waterstand waargenomen totaal anders is. Op verschillende waterkaarten en zeekaarten worden verschillende reductievlakken gebruikt. We kunnen in de titel van de kaart terugvinden welk reductievlak er wordt gebruikt.

titel kaart

Ook vinden we in de titel van de kaart hoe de hoogtes en dieptes worden weergegeven, bijvoorbeeld in meters, decimeters of voet. Ook staat er in de titel van de kaart aangegeven hoe de hoogtes (b.v. van bruggen) wordt weergegeven. Dat kan namelijk ten opzichte van een andere vlak zijn.

Opstuwing en afwaai

Let erop dat er afwaai ontstaat bij aflandige wind waardoor de waterstand lager wordt, het wordt dus ondiep en bruggen worden daardoor hoger. Door opstuwing bij aanlandige wind wordt het dieper en bruggen worden lager.

Meetpalen en peilschalen

Op veel plekken in Nederland staan meetpalen die ter plekke exact de diepte aangeven. Bijvoorbeeld op de Waddenzee bij ondiepe plekken. Via de marifoon kunnen we dan de waterstand opvragen. Ook staan er bij vaste bruggen vaak peilschalen die de brughoogte aangeven.

Hoogtes/dieptes berekenen = tekenen

We moeten leren om in de tochtplanning al te bepalen of we over de ondiepte heen kunnen varen of dat we onder de vaste brug door kunnen. Het zou zonde zijn als we aankomen en het blijkt volgens de peilschaal net niet mogelijk te zijn…

Voordat we gaan rekenen maken we eerst een tekening op een kladpapiertje met daarin alle niveau's.

Ik zal dit uitleggen aan de hand van een 2 voorbeelden.

Voorbeeld 1: Waterdiepte berekenen

diepte

Voorbeeld 2: Hoogte brug berekenen:

hoogte

Bekijk de PowerPoints

Om de powerpoint's te bekijken moet u eerst even inloggen. Heeft u nog geen account? Dan kunt u zich daarvoor aanmelden.

PowerPoints

Vragen en antwoorden

Vraag 1: Bij een aanlandige wind ontstaat opstuwing van het water, daardoor worden vaste bruggen:

Vraag 2:Stel dat de waterstand waargenomen NAP + 3dm is. De kaartdiepte is 2 meter en is ten opzichte van kanaalpeil. Stel dat kanaalpeil gelijk is aan NAP. Wat is de werkelijke diepte dan?

Vraag 3:U vaart in een kanaal waarvan is gegeven dat de diepte ten opzichte van kanaalpeil is. Kanaalpeil is NAP+ 5 dm. Op een meetpaal leest u af dat de waterstand waargenomen NAP – 7 dm is. De kaartdiepte is 2,3 meter. Uw boot steekt 1 meter diep. Hoeveel water heeft u nog onder de kiel?

Vraag 4:U nadert een brug waarvan de hoogte 4 meter is ten opzichte van kanaalpeil. Kanaalpeil is NAP + 4dm. De waterstand waargenomen is gelijk aan NAP. Uw schip is 3,5 meter hoog. Als u onder de brug door kunt, hoeveel ruimte houdt u dan over?

Vraag 5: U nadert een sluis. Aan uw zijde van de sluis is het kanaalpeil NAP – 5dm. Aan de andere kant van de sluis is het kanaalpeil NAP – 2 dm. Stel dat de waterstand waargenomen gelijk is aan kanaalpeil. Hoeveel zal u zakken of stijgen in de sluis?

Vraag 6: Stel dat de waterstand waargenomen NAP + 5dm is. De kaartdiepte is 2,5 meter en is ten opzichte van kanaalpeil. Stel dat kanaalpeil gelijk is aan NAP. Uw schip steekt 1,8 m diep. Hoeveel ruimte heeft u nog over onder de kiel?

Vraag 7: U nadert een sluis. Aan uw zijde van de sluis is het kanaalpeil NAP +2 dm. Aan de andere kant van de sluis is het kanaalpeil NAP – 2 dm. Aan uw zijde van de sluis is de waterstand waargenomen gelijk aan kanaalpeil. Aan de andere kant van de sluis is de waterstand waargenomen KP + 0,4m. Hoeveel zal u zakken of stijgen in de sluis?

Vraag 8: Bij een aflandige wind vindt afwaai plaats van het water. Ondieptes worden daardoor:

Vraag 9: U nadert een brug waarvan de hoogte 5 meter is ten opzichte van kanaalpeil. Kanaalpeil is NAP - 4dm. Uw schip is 4 meter hoog. De waterstand waargenomen is NAP – 6. Als u onder de brug door kunt, hoeveel ruimte houdt u dan over?

Vraag 10: Een vaste brug is 5 meter hoog ten opzichte van kanaalpeil. Kanaalpeil is NAP + 3dm. De waterstand kan wisselen van NAP – 5 tot NAP + 7. Kunt u met uw schip van 4,4 meter hoog altijd onder de brug door als u een veiligheidsmarge van 20 centimeter wilt overhouden?

Antwoorden worden direct verstuurd aan het e-mailadres dat u hier opgeeft.
Deelnemers aan de cursussen dienen akkoord te gaan dat hun e-mailadres wordt opgenomen in onze mailinglijst. U kunt zich met 1 klik gratis afmelden voor onze maandelijkse nieuwsbrief. Wij geven uw e-mailadres nooit door aan derden.

Om uw bezoek aan onze website nóg makkelijk en persoonlijker te maken zetten we cookies (en daarmee vergelijkbare technieken) in.
Meer informatie Ok