Les 9 Vaarmanoeuvres | Online cursus Vaarbewijs 1

Schutten in sluizen

De sluis bestaat uit de sluiskolk die afgesloten wordt door de sluisdeuren met daarin de spuigaten waardoor het water ingelaten of gespuid kan worden. De “moet” is het met algen begroeide, natte deel van de sluismuur, waaraan u kunt zien hoe veel het water in de sluis gaat stijgen. Ziet u geen moet, dan weet u dat u gaat zakken. Het verschil in waterstand voor en achter de sluis noemen we het verval. In de sluismuur zitten verhaalpotten, dat zijn bolders in de sluismuur. Afmeren doen we binnen de rood/witte streep, omdat u anders te dicht bij de deuren en de spuigaten ligt. Voor en achter de sluis ligt een remmingwerk, waaraan u kunt aanmeren als u moet wachten.

Lijnen knopen we uiteraard niet vast op de kikkers. Geeft u ze een slagje erom en houd ze op de hand vast. Als het water in de sluis snel zakt, komen we dan niet in de lijnen te hangen.

Van zee naar binnenwater gaan we van zout naar zoet water. Als de sluis gevuld is met zout water en de deuren gaan aan de binnenwaterkant open, dan zal het zoute water als een onderstroom uit de sluis stromen. Zout water is namelijk zwaarder dan zoet water. Maar de sluis zal natuurlijk niet leegstromen, dus het water wordt aangevuld door een bovenstroom de sluis in. Als we dan net de voortros hebben losgegooid, komen we al snel dwars te liggen in de sluis met alle ellende van dien. Houd die voortros dus goed vast. Een bellenbaan mengt het zoete en zoute water waardoor die onder en bovenstroom minder ontstaat.

bellenbaan

Ankeren

Elk anker heeft ankervloeien. Dat zijn de delen die zich in de grond ingraven. Als een ankervloei onder een rots of kabel komt, zou het onmogelijk zijn om het anker weer op te hijsen. Een neuringlijn biedt dan uitkomst. Dat is een lijntje aan de ring aan de onderkant van het anker waaraan het anker in alle gevallen omhoog gehaald kan worden. Vaak wordt er een geel boeitje vastgemaakt aan de neuringlijn, zodat andere schepen ook kunnen zien waar het anker ligt.

Ten anker komen

Ten eerste peilen we de ankergrond en de diepte of we zoeken die op, in de kaart. We controleren of het anker, de ketting en de ankerlijn wel goed vastzitten, zodat we het anker niet verliezen als we het uitgooien. Als we gaan ankeren, houden we rekening met de stroom en wind (altijd met de boeg tegen de stroom en wind) en de ankergrond. De ankergrond en de diepte staan meestal ook op de kaart. Dan varen we met de kop in de wind of we varen de stroom dood en roepen: Presenteer anker! Dat betekent dat het anker klaargemaakt moet worden om het te laten zakken. Dan roept de schipper Let Go!, wat betekent dat het anker kan zakken. Tijdens het laten zakken van de ketting vaart de schipper achteruit, want anders stort er wellicht ankerketting op het anker en komt de boel in de knoop.  Vaart u niet te hard achteruit, want dan komt de ketting elke keer op spanning als het anker eerder ingraaft, waardoor mensen aan boord kunnen vallen. We steken minimaal 3 tot 5 maal de waterdiepte aan ankerketting, anders kunnen de vloeien niet goed ingraven in de bodem.  Als we voor anker liggen hijsen we een ankerbol, dat is een zwarte bol.

Ten anker liggen

Als we voor anker liggen kan het schip gaan gieren. Dat betekent dat het gaat slingeren achter zijn anker omdat telkens een andere vrijboord wind vangt. We zouden in dat geval een tweede anker kunnen uitbrengen in een V-vorm. Het schip blijft dan netjes in het midden achter de 2 ankers liggen.
Wat ook kan gebeuren is dat het anker gaat krabben. Een krabbend anker sleept over de grond en graaft zich niet in, bijvoorbeeld als de ondergrond hard is, kan het even duren voordat het anker zich ingraaft.
Een onklaar anker is een anker dat zich nooit zal ingraven, omdat de ketting om een vloei is geslagen.
Als we gaan ankeren op getijde stroming zal elke 6 uur de stoom kenteren (van richting veranderen). In dat geval kan het goed zijn dat het schip het anker over de kop trekt waardoor het uitbreekt uit de grond. Als de bemanning dan ligt te slapen of van boord is en het anker graaft zich niet gelijk weer in, dan kunnen er gevaarlijke situaties ontstaan. Daarom kunnen op getijdenwater 2 ankers in elkaars verlengde uitgelegd worden. Als de stroom 180 graden draait, dan komt het schip gelijk achter het tweede anker te liggen.

Anker controleren

Hoe kunnen we controleren of het anker goed houdt? We kunnen dat doen door het ankeralarm op de GPS in te stellen. Als het schip verder dan b.v. 100 m van de ingestelde positie komt, dan geeft de GPS een alarm, omdat het anker dan niet goed houdt. Ook kunnen we met behulp van een kruispeiling bepalen of we op hetzelfde punt blijven. Iets dat altijd werkt is een peillood. Dat is een lijntje met daaraan stuk lood waarmee de diepte kan worden gepeild. U laat dat tot op de bodem zakken met wat slack (= wat extra ruimte) in de lijn. Als het lijntje na een poosje strak komt te staan houdt het anker kennelijk niet goed.

Anker op gaan

We varen met de motor tot boven het anker en halen de ankerketting gelijker tijd binnen. Niet te hard varen dus, want dan komt de ketting tegen de boeg. En ook niet te langzaam varen, want dan krijgt de ankerlier (of de ankermaat) het te zwaar te verduren bij het binnenhalen. Goede communicatie tussen de ankermaat en de stuurman is hierbij dus essentieel. Het is handig om een extra persoon midscheeps te zetten om de commando’s door te geven tussen schipper en ankermaat.
Als het anker vast zit in de grond dan kunt u het anker over de kop varen. Wel oppassen dat de ketting de romp niet beschadigd. Op een zeilschip zou u een lijn aan de ankerketting kunnen vastmaken en dat op een lier leggen, zodat u met behulp van de lier het anker wellicht wel uit de grond kan hijsen.

Man-over-boord

Als iemand overboord valt, dan denken we aan 6 punten:
1.    Schreeuw “Man-over-boord” zodat iedereen weet wat er aan de hand is.
2.    Schreeuw “Zwem!’’ of “Drijf” tegen de drenkeling, want door de shock en de kou kan de drenkeling verstijft in het water komen te liggen en daardoor verdrinken.
3.    Laat een bemanningslid naar de drenkeling wijzen. Dit is heel belangrijk, omdat je de drenkeling snel uit het oog verliest in de golven.
4.    Gooi een reddingsboei toe. Een paar meter bovenwinds van de drenkeling.
5.    Activeer de MOB functie op de GPS
6.    Stuur het achterschip weg van de van drenkeling, zodat die niet met het hoofd tegen het achterschip komt.

De MOB-manoeuvre die in het algemeen goed toepasbaar is voor veel schepen, is door het schip direct in de wind te sturen. Dan komt het schip sneller tot stilstand. Op een zeilschip trekt u op die in de windse koers het grootzeil snaarstrak in het midden en rolt de fok weg. Dan draait u door en vaart het schip precies bovenwinds van de drenkeling en legt het schip daar dwars op de wind stil. Dan zal het schip zijdelings driftend door het water naar de drenkeling toe verleieren. Met de motor zorgt u ervoor dat het schip geen voor of achterwaardse snelheid krijgt. Een zeilschip zal op dat moment met veel wind heel schuin komen te liggen. Het voordeel daarvan is dat de drenkeling aan de lage kant van het schip makkelijker binnengehaald kan worden, want het vrijboord is lager. U maakt een lijnverbinding met de drenkeling. Op het moment dat de drenkeling naast de boot ligt, schakelt u de motor helemaal uit, om te voorkomen dat bijvoorbeeld de voet van de drenkeling in de schroef kan komen. Het aan boord hijsen van een drenkeling kan bijvoorbeeld met een zwemtrap, klimnet of met een lijn die u op een lier zet om de drenkeling omhoog te hijsen.

Aan de grond lopen

Het gevaar van vastlopen wordt vaak onderschat. Diegene die wel eens vastgezeten hebben en met wat golfslag op een zandbank hebben gestuiterd, weten dat het erg angstaanjagend is. Het schip wordt elke keer met de kiel op de zandbank gezet en dat kan enorme structurele schade opleveren die de boot total loss kan maken. Ook kan de boot lek raken en zinken.
Als we aan de grond lopen dan hangt het ervan af of we de motor aan laten of uitzetten, of het een motor of een zeilschip is. Op een motorschip lopen we namelijk kans dat de schroef de grond raakt en dat zand wordt opgezogen en in het koelwatersysteem komt. Met een zeilschip zal eerst de kiel de grond raken, dus bestaat dat gevaar minder.
Als de schroef op een motorschip de grond niet raakt is het aan te bevelen om wel de koelwater afsluiter tijdelijk dicht te zetten. Meestal is dat voor enkele minuten geen probleem.
We kunnen dan direct op de motor in dezelfde richting terugvaren als waar we vandaan kwamen. Daar was het water ten slotte diep genoeg. Dat klink logisch, maar in de praktijk worden vaak andere beslissingen genomen in de paniek.
Als het schip niet meer loskomt hangt het ervan af of we aan hogerwal of aan lagerwal vastzitten. Loskomen van Hogerwal betekent dat we het schip scheef kunnen laten hangen door bijvoorbeeld het zeil strak te trekken of alle bemanning aan 1 kant te zetten. Als het schip scheef ligt steekt het minder diep. Maar als we vastzitten aan lagerwal, dan heeft scheefhangen geen zin. Het schip zal dan direct verder op de lagerwal waaien en steeds vaster komen te zitten.
U zou bij hele rustige omstandigheden een anker kunnen uitbrengen met een bijboot en het schip proberen vlot te trekken van de lagerwal. Maar als er golven staan is dat niet ongevaarlijk en zal het u waarschijnlijk ook niet lukken. Dan zit er dus niets anders op dan een sleepje te vragen. Let erop dat u sleeploon verschuldigd bent als iemand u van een ondiepte af sleept.

Zuiging, retourstroom en volgstroom

Bijvoorbeeld grote binnenvaartschepen hebben een boeggolf, verschillende golfdalen en toppen en een hekgolf. Bovendien wordt het water naast de binnenvaartschepen naar de schroef toegetrokken. Die stroming is in tegengestelde richting aan de vaarrichting en wordt ook wel negatieve stroom of retourstroom genoemd. (Daardoor duurt het inhalen van een binnenvaartschip vaak langer dan je denkt.) Ten hoogte van het hek van het schip bevindt zich de zogenaamde volgstroom, in dezelfde richting als de vaarrichting. Deze effect zijn allemaal sterker in smal en ondiep water.

Dode hoek zeilschepen

Zeilschepen kunnen verschillende koersen varen. Zie de afbeelding met de windroos.  Ze kunnen zelfs 45 graden schuin tegen de wind invaren, dat heet aan-de-wind. Maar ze kunnen niet in de hoek van 90 graden varen in de richting van de wind. Die hoek heet de dode hoek. Daarom moeten zeilschepen opkruisen of laveren als ze tegen de wind in moeten varen.

windroos

Dode hoek binnenvaarschepen

Ook binnenschepen hebben een dode hoek. Dat is de hoek voor de boeg die de schipper niet kan zien door de lading die op het dek staat bijvoorbeeld.

Gaat u er altijd vanuit dat als u de schipper niet kunt zien, dat hij u ook niet ziet. Blijf dus altijd uit de dode hoek van binnenvaartschepen.

Slepen en gesleept worden

Bij het slepen is het belangrijk dat u een lang en rekbaar touw gebruikt.  Anders worden de krachten op de bolders te groot. Het bevestigingspunt is erg belangrijk. Op zeilschepen is het soms de mast (bij een keelstept mast) of de lieren (bij een deckstept mast). Zorg er wel voor de sleeplijn via de boeg loopt.  De gesleepte boot moet altijd de buitenbocht insturen. Als u namelijk op het zelfde moment als de sleepboot uw koers verlegt, komt de lijn van spanning en daarna weer met een schok op spanning. Probeert u de lijnen zo lang te maken dat beide boten zich gelijktijdig op een golftop of in het golfdal bevinden, om grote schokken op de sleeplijn te voorkomen.
Op veel schepen zitten 2 bolders op het achterschip. Aan bakboord en aan stuurboord, maar dus niet in het midden. Als u gaat slepen met de sleeplijn aan 1 kant, dan zal het schip continue naar een kant trekken. Een Spruit is een lijntje op de andere bolder die de sleeplijn in het midden trekt.
Als de sleep een klein of helemaal geen roer meer heeft, dan kunt u het beste gekruist slepen, met 2 sleeplijnen. 1 sleeplijn loopt van de bakboordzijde van de sleepboot naar de stuurboordzijde van de sleep. De andere sleeplijn loopt van de stuurboordzijde van de sleepboot naar de bakboordzijde van de sleep. Als de sleepboot draait wordt de sleep automatisch de buitenbocht ingetrokken.
Langszij slepen kan alleen in havens of sluizen als er geen golven staan.

Bekijk de PowerPoints

Om de powerpoint's te bekijken moet u eerst even inloggen. Heeft u nog geen account? Dan kunt u zich daarvoor aanmelden.

PowerPoints

Vragen en antwoorden

Vraag 1: Een neuringlijn is een lijn:

Vraag 2: Ankeren doen we bij voorkeur:

Vraag 3: Een krabbend anker is een anker dat:

Vraag 4: Wat is de moet in een sluis?

Vraag 5: Van zee naar binnenwater hebben we een zoet-zout-stroom:

Vraag 6: Bij de man-over-boord manoeuvre komen we aan:

Vraag 7: Slepen doen we bij voorkeur met een:

Vraag 8: Een extra lijntje dat de sleeplijn naar het midden trekt noemen we een:

Vraag 9: Wanneer heeft het vooral zin om een schip scheef te trekken als u aan de grond bent gelopen met harde wind?

Vraag 10: Wat is een dode hoek van een zeilschip?

Antwoorden worden direct verstuurd aan het e-mailadres dat u hier opgeeft.
Deelnemers aan de cursussen dienen akkoord te gaan dat hun e-mailadres wordt opgenomen in onze mailinglijst. U kunt zich met 1 klik gratis afmelden voor onze maandelijkse nieuwsbrief. Wij geven uw e-mailadres nooit door aan derden.

Om uw bezoek aan onze website nóg makkelijk en persoonlijker te maken zetten we cookies (en daarmee vergelijkbare technieken) in.
Meer informatie Ok