Les 3 Peilingen | Online cursus Reisvoorbereiding RR&P

De eerste 2 peilingen zijn heel goed bruikbaar in de praktijk van het zeezeilen, ook als we een GPS of kaartplotter aan boord hebben. Dit zijn de peiling om vrij te blijven van gevaren. Als u gebruik maakt van dat soort peilingen, dan zult u veel minder op uw kaartplotter staren en dus een vastere koers kunnen houden en bovendien veel beter overzicht krijgen van de navigatie. In les 7 van de Online cursus TKN zijn de andere veel voorkomende peilingen al besproken. Tot slot bespreken we ook de minder vaak voorkomende peilingen. Die zijn toch goed om te oefenen, omdat het u meer inzicht geeft in navigatie. Bovendien kunt u ze gebruiken in geval uw GPS uitvalt en u op gegist bestek moet overschakelen.

Peilingen om vrij te blijven van gevaren

Achtergrondpeilingen

Bijvoorbeeld: als u net niet meer tussen twee eilanden door kunt kijken, dan weet u op welke lijn in de kaart u zit. Ook een lichtenlijn of geleidelijn is een soort achtergrondpeiling. Als u op de kaart ziet dat het veilig vaarwater is op een lijn van 2 punten die in elkaars verlengde liggen, dan kunt u dus die achtergrondpeiling gebruiken om vrij te blijven van gevaren.

NMT of NLT peilingen

We kunnen ook een peilinglijn op 1 object in de kaart tekenen die de scheiding vormt tussen een veilige en een gevaarlijke sector. We bepalen dan vervolgens of de peiling

  • niet meer dan een x aantal graden mag zijn (No more than)
  • niet minder dan een x aantal graden mag zijn (no less than)

om in veilig vaarwater te blijven. We noteren NMT of NLT bij de peilinglijn in de kaart.

Peiling met verzeiling

Dubbelstreekspeiling

De dubbelstreekspeiling maken we alleen op niet stromend water, omdat de peiling anders te onnauwkeurig wordt. Peil het object onder een kleine hoek met de koers en zet de ware peiling in de kaart en noteer logstand. Peil hetzelfde object als de hoek tussen peiling en koers 2 x zo groot is geworden en zet de WP in de kaart en noteer logstand. Pas nu de afgelegde afstand af vanuit het object op de tweede peilinglijn, het eindpunt is de MWS.

Kompaspeiling met diepteloding

Dit is een combinatie van 1 LOP, een line of position, verkregen door een kompaspeiling of achtergrondpeiling, in combinatie met een herkenbare dieptelijn of herkenbaar patroon van de zeebodem.

Bijvoorbeeld: U noteert het volgende:
Om 12.00 uur is het 28 meter diep.
Na 1,3 Nm 20m
Na 2,9 Nm 10m
Na 3,7 Nm 10m
Na 5,6 Nm 20m
Na 6 Nm 10m
Na 6,3 Nm 10m
Na 6,4 20m
Na 7 Nm 20m
Na 8 Nm 10 meter
Door de staande rand van de kaart te gebruiken kunt u de dieptelijnen aftekenen op een papiertje. Dat papiertje schuift u langs de peilingslijn die u in de kaart heeft kunnen intekenen en u vindt op die manier uw MWS, want het papiertje komt maar op 1 manier overeen met het bodemprofiel.

Snelliuspeiling

De snelliuspeiling gebruiken we als we onze positie zeer nauwkeurig willen bepalen bij een onbekende miswijzing (=deviatie + variatie). Deze methode maakt gebruik van de hoeken tussen de peilingen, de peilingen zelf hoeven dus niet exact te kloppen (een onbekende miswijzing van het kompas geeft dus geen invloed op de gevonden positie. Hiervoor bestaat een hele ingewikkelde constructie, maar we kunnen ook de drie peilingen op een transparantje tekenen en dat over de kaart schuiven. De peilingen passen maar op 1 manier over de peilingsobjecten. Het snijpunt van de drie peilinglijnen is dan de MWS.

Hellingfout

De hellingfout is de afwijking die het kompas krijgt door helling van het schip. Het verticaal geplaatste magnetisme levert normaal geen afwijking op van het Kompas, omdat de kompasnaald alleen recht naar beneden trekt en dus de Noord richting die de kompasnaald aanwijst niet beïnvloedt. Bij helling van het schip komt dat magnetisme wel dwars onder de kompasnaald en beïnvloedt wel de Noord richting die de kompasnaald aanwijst. Om de hellingfout te berekenen bepaalt u de hellingfout op de kompaskoers 0° = noord. Bepaal dan de koersfactor (met grafiek of door de koers in te toetsen op je rekenmachine en dan op COS te drukken). Bepaal de hellingfactor, dit is de huidige helling / de helling die gebruikt werd op bij Kompaskoers (KK)  0°. De hellingfout = hellingfout bij kk 0° x koersfactor x hellingfactor. De hellingfout verdubbelt als de helling verdubbelt. Bij helling over de andere boeg verandert het teken van de hellingfout, met ander woorden: + wordt – en andersom.

Bekijk de PowerPoints

Om de powerpoint's te bekijken moet u eerst even inloggen. Heeft u nog geen account? Dan kunt u zich daarvoor aanmelden.

PowerPoints

Vragen en antwoorden

Vraag 1: Kaart 1801.5 U peilt op een gegeven moment de vuurtoren van Vrakhil in lijn met die van Aagtekerke. Ook maakt u een peiling op de vuurtoren van West Schouwen en rekent die kompaspeiling om tot een ware peiling van 74 graden. Wat was op dat moment uw meest waarschijnlijke standplaats?

Vraag 2: Kaart 1801.6. Stel dat u vlak onder de kust zou willen varen en naast u dieptemeter ook met behulp van een NLT/NMT peiling op het baken BG2 absoluut vrij wilt blijven van de 5 meter dieptelijn van de Ooster. Welke NLT of NMT peilingen zou u dan kunnen gebruiken?

Vraag 3: Kaart 1801.6. Op tijdstip 1 peilt u Goeree platform en rekent die kompaspeiling om tot een ware peiling van 280 graden. Precies 1 uur later op tijdstip 2 peilt u opnieuw platform Goeree en berekent een ware peiling van 4 graden. Uw ware koers is 237 en u schat de drift (bij deze noordwesten wind) op 10 graden. De logsnelheid was 7 knopen. Stel dat de stroom 245 graden was en 1,1 knopen. Wat was dan uw positie op tijdstip 2?

Vraag 4: Kaart 1801.6. Stel dat u op een Behouden ware koers vaart van 228 graden. Voor deze oefening staat er geen stroom. U wilt uw MWS bepalen door middel van een dubbelstreekspeiling op Westhoofd (op Goeree). De eerste ware peiling is 186 graden en u maakt de tweede bij 144. U heeft tussen de twee peilingen precies 4,5 zeemijl door het water afgelegd. Wat is uw positie op het moment van de tweede peiling?

Vraag 5: Kaart 1630. Stel u vaart precies op de lijn van de kerktoren van Goedereede en de kerktoren van Stellendam. Voor deze oefening gaan we er vanuit dat er geen stroom staat en dat de waterstand gelijk is aan de kaartdiepte. Om uw meest waarschijnlijke standplaats te bepalen brengt u het bodemprofiel in kaart door de dieptelijnen op een papiertje te tekenen en langs de achtergrondpeilinglijn van de kerktorens te schuiven. Als de diepte afneemt tot 20 meter noteert u telkens de logstand als u weer een nieuwe dieptelijn passeert:
logstand dieptelijn
0Nm 20
1,9Nm 20
3,4Nm 20
4,9Nm 10
5,4Nm 10
7,8Nm 10
Wat is uw uw MWS bij de logstand 10Nm?

Vraag 6: Kaart 1801.7. u besluit uw meest waarschijnlijke standplaats te bepalen door middel van een snelliuspeiling. U peilt met een sextant de hoek tussen de peiling op de vuurturen van Scheveningen en de grote toren ten noorden van Monster (noord oost van km 110) op 46 graden. Vervolgens peilt u de hoek tussen die toren ten noorden van Monster en de Observation post noord van Hoek van Holland op 45 graden. Wat is uw meest waarschijnlijke standplaats?

Vraag 7: Wat is de meest nauwkeurige plaatsbepalingsmethode? Een kruispeiling of snelliuspeiling?

Vraag 8: Wat is de meest nauwkeurige plaatsbepalingsmethode? Een achtergrondpeiling i.c.m. kompaspeiling of gegist bestek?

Vraag 9: Wat is de meest nauwkeurige plaatsbepalingsmethode? Een kruispeiling of peiling met verzeiling?

Vraag 10: De hellingfout op kompaskoers noord is +5º, bij een helling over stuurboord van 10º. Stel dat de koers 215º is en de helling 15º over bakboord. Wat is dan de hellingfout?

Antwoorden worden direct verstuurd aan het e-mailadres dat u hier opgeeft.
Deelnemers aan de cursussen dienen akkoord te gaan dat hun e-mailadres wordt opgenomen in onze mailinglijst. U kunt zich met 1 klik gratis afmelden voor onze maandelijkse nieuwsbrief. Wij geven uw e-mailadres nooit door aan derden.

Om uw bezoek aan onze website nóg makkelijk en persoonlijker te maken zetten we cookies (en daarmee vergelijkbare technieken) in.
Meer informatie Ok